Marleen Nelen
boeken
beelden
bio
contact
nieuws
recensies
 

fragment Maanlief

‘Hier is het’, zegt Ine en ze rijdt een erf op. Het is een groot boerenhof. Achter het huis is een schuur, waaruit de weeë geur van warm stro en dierenlijven komt. Op de oprit staat een tractor. Achter de tractor is een hondenhok en daarin loopt een grote bruine, modderige hond heen en weer. Nu en dan stopt hij met blaffen om te hijgen, zijn tong ver uit zijn bek. Die heeft het ook te warm.
‘Ik ga naar huis, Ine.’
‘Nee, wacht even. Bertus heeft een oudere broer. Hij vroeg of ik je een keertje mee wilde brengen. Hij heeft geen vriendin en wilde je leren kennen.’
Ze gooit haar fiets tegen de muur en belt aan. Intussen wrijft ze nog snel even met haar wijsvinger over haar lippen. Dan gebaart ze naar Mo dat die dichterbij moet komen. Mo stapt naar haar toe, maar houdt haar fiets in de aanslag.
‘Niet wegrijden’, fluistert Ine. ‘Je kan toch wel even kijken of je het een aardige jongen vindt? Je hebt toch niets te verliezen? Misschien is hij je droomprins wel.’
Mo haalt haar schouders op, maar haar maag krimpt van spanning samen. Misschien… Onzeker trekt ze aan haar klevende T-shirt. Een goede eerste indruk zal ze zeker niet maken. Haar haarrekje is eruit gevallen toen ze zo hard aan het fietsen was en haar gezicht is rood als een overrijpe tomaat.Een lange jongen met sluik haar tot op zijn schouders komt naar buiten en trekt Ine blij naar zich toe. Ze zoenen en hij neemt Ine’s hand, ze gaan naar binnen. Ine knipoogt nog naar Mo. De deur valt achter hen dicht. Mo staart verbouwereerd naar de gesloten deur. Typisch. Ze besluit dat ze net zo goed weer naar huis kan fietsen
Ze draait zich om en staat oog in oog met een jongen. Hij leunt tegen de tractor en zegt met een diepe stem: ‘Ze kunnen er wat van, hé?’
Zijn haar is heel kort, maar verder lijkt hij erg op zijn broer. Hij heeft brede schouders en draagt een strakke jeansbroek en een helderwit T-shirt. Zijn ogen zijn felblauw. Hij komt met een uitgestoken hand naar haar toe. Mo veegt haar eigen zweterige hand af aan haar broek en mompelt verlegen: ‘Ik was even met haar meegefietst. Ik wilde net naar huis rijden.’
‘Echt’, zegt hij spijtig. ‘Blijf je niet even?’
Mo haalt haar schouders op. Er valt een lastige stilte. Mo vervloekt haar zus. Ze kent Mo goed genoeg om te weten dat ze nu met haar mond vol tanden staat. Ze had hen aan elkaar kunnen voorstellen, even kunnen wachten tot het ijs gebroken was. De jongen staat naast haar en kijkt haar afwachtend aan. Ze moet iets zeggen. Nu.
‘Zijn je ouders boeren?’ Een dommere vraag had ze niet kunnen bedenken.
Gelukkig lacht hij haar niet uit. Hij maakt een breed gebaar met zijn hand en zegt: ‘Zoals je ziet.’
En weer is het stil.
De hond is gestopt met blaffen en loopt ook niet meer heen en weer. Hij ligt in een hoekje, zijn borst gaat razendsnel op en neer.
‘Zal ik je even rondleiden?’
Mo knikt en zet haar fiets tegen die van Ine. Ze weet al waarom Ine het zal uitmaken over één of maximum twee weken. Een boer is te min voor haar. ‘Hij stonk. Hoe vaak hij zich ook waste, die koeiengeur ging er maar niet uit. En ik ga de rest van mijn leven niet als boerin slijten, hoor.’ Zoiets zal het worden.
Ze volgt de jongen over de brede oprit. Haar tong kleeft aan haar gehemelte, zo’n dorst heeft ze. Straks moet ze hem iets te drinken vragen.
Voor hen uit loopt een vrouw. Ze knikt even kort naar Mo. In haar handen draagt ze een zware bak en daarmee verdwijnt ze in de schuur.
‘Kom’, zegt de jongen.
Het is liefde op het eerste zicht. De maïs ruist om hen heen en beschermt hen tegen de ongenadige zon en de blikken van voorbijgangers. Haar hand past precies in de palm van zijn hand en alleen al in zijn vingers is zijn kracht voelbaar. Een kracht die het voor haar zal opnemen. Nooit zal haar nog iets akeligs overkomen, want hij is bij haar. Ze heeft hem gevonden, de man van haar dromen. Ze wandelen weg over het smalle pad en nu legt hij zijn arm om haar slanke heup. Ze blijven als bij afspraak staan. Hij draait haar zacht naar zich toe, heft haar kin op en…
De camera zoomt langzaam uit, steeds hoger, steeds verder weg, van hun monden in één vloeiende beweging naar het pad, de velden, naar de blauwe lucht vol leeuweriken, blauw als zijn ogen. Dan zwenkt hij naar de zon, die het beeld vult, oogverblindend, cut.

Ze lopen tussen twee maïsvelden over een smal pad. Een mooie jongen op een warme zomerdag, zijn heup raakt zacht die van haar. Mo zwijgt gespannen, af en toe humt ze. Hij wil een hoop dingen van haar weten. Op welke school ze zit en of ze een fijne vakantie heeft gehad en dat ze heel anders is dan Ine, veel stiller. Maar hij vindt haar wel aardig en of ze al een fijne vakantie heeft gehad. Dat heeft hij al gevraagd. Hij slaat zichzelf tegen zijn voorhoofd, dat is waar ook, ze heeft gelijk. Had ze een goed rapport? Dat zal wel, ze ziet er slim uit. Er is een zwembad in haar dorp. The place to be, sinds het gerenoveerd is. Gaat ze daar wel eens heen, anders kunnen ze wel eens afspreken? Hij zou graag eens met haar gaan zwemmen. Vindt zij hem ook aardig?
De maïs staat hoog.
Hier is een goed plekje’, zegt hij dan, zijn stem is schor. Hij duwt een paar planten opzij.