Marleen Nelen
boeken
beelden
bio
contact
nieuws
recensies
 




fragment Over zee

Ione heeft de hele middag bij Louiza kruidenlijsten van buiten geleerd. Daarom heeft ze nu hoofdpijn. Ik hou een uiteenzetting over Klaus, over de waanzinnige stapel papier die hij bij Morris heeft gekocht, over het gemak waarmee hij me commandeert, maar vooral over het bijzondere tuigje, dat hij zo snel ineenzette. Ze klimt verder zonder te antwoorden, ik vind houvast op dezelfde uitsteeksels. Even later staan we op een richel van ongeveer vijftien meter hoog. Ik ben nog steeds niet uitgepraat.
‘Het zag er heel eenvoudig uit’, ratel ik. ‘En het vloog echt goed.’
‘Hij gooide het omhoog’, oppert Ione.
‘Niet waar.’
‘Zonder dat je het zag. Dat kan toch? Je laat je voor de gek houden.’
‘En toch vloog het. Helemaal vanzelf. We zaten binnen, er was geen wind.’
‘Alleen vogels kunnen vliegen. En heksen’, zegt ze, met een veelbetekenende blik.
‘Dat is fijn’, zeg ik. ‘Vanavond is het vollemaan. Kom me maar halen met je bezemsteel. Een zwarte vogel hebben we al.’
‘Lach maar niet te hard’, zegt ze. ‘Misschien doe ik het wel, op een dag.’
Het waait hier harder dan beneden. Ione neemt mijn hand en knijpt erin. We zetten nog een kleine stap vooruit.
Voor we springen moet ik een lichte weerzin overwinnen. Ione telt af, zo zijn we het gewoon. We trekken elkaar mee, en dan is het te laat. In een flits zie ik het water onder me, dat glinstert alsof het bedekt is met glasscherven, en het nadert zo snel dat ik geen tijd heb om het te bevatten. Een daverende schok. Mijn hoofd lijkt te zullen barsten, een intense warmte verspreidt zich over mijn lichaam. Naar adem happend kom ik boven. Eenmaal veilig op het strand stroomt er een gevoel door me heen dat met niets te vergelijken valt. Ik voel me onwezenlijk licht. Ik wil meteen opnieuw. Het is verslavend.
Het idee dat vandaag de laatste dag van de zomer zou kunnen zijn, maakt ons onverzadigbaar. En Ione heeft behoefte aan afleiding. Het maakt haar hoofd weer leeg. We springen van steeds hoger. We perfectioneren onze duik, sierlijk met de handen samen en de benen gestrekt. Ione probeert een salto die ze heeft afgekeken van de acrobaten op de jaarmarkt. Maar ze is niet snel genoeg. Ze landt met haar buik op het water. Ik duik haar achterna. Ik vind haar niet meteen, in paniek graai ik in het rond. Wanneer ik haar uitwaaierende haar tussen mijn vingers voel, grijp ik het beet. Ze klampt zich proestend aan me vast, en ik moet alles op alles zetten om niet te verdrinken.
Even later ligt ze ineengedoken op het strand. Ze zegt dat het water keihard was, en we kijken er achterdochtig naar, alsof we de zee voor het eerst zien, en we niet wisten dat ze zomaar van gedaante kan veranderen. Ik wijs naar de top van het klif en zeg dat onze hoofden als overrijpe tomaten uiteen zouden spatten als we van zo hoog zouden springen.

We kiezen een lagere richel. Ze stopt met aftellen en fluistert: ‘Is dat Nelson?’
Aan de overkant van de kloof staat een roerloze gestalte.
‘Zijn ze niet uitgevaren?’ vraagt Ione.
Pa wilde de Susanna laten nakijken, want die maakt steeds meer water. Nelson morde over een dag verlies, hij zit in met de gitaar, maar pa hield het been stijf. Niet dat hij bang is voor zijn eigen leven. Het gaat om de boot. Nelson beseft dat we hem hebben gezien, hij verdwijnt achter een rots.

We springen tot we geen gevoel meer hebben in onze vingers en tenen. We gaan uitgeput in het zand liggen. Rafelige, donkere wolken drijven langzaam richting binnenland. Daarin schuilt de herfst. Hij doet de bomen verkleuren en maakt hun schaduwen langer, en de nachten. Ik heb de nootachtige smaak van paddenstoelen al in mijn mond.

Het is vroeger donker, en het regent zachtjes. Thuis branden twee olielampen. Ik adem diep in. De lucht in de kamer zal muf en drukkend zijn.
‘Waar kom jij vandaan?’ blaft Nelson meteen.
Pa bestudeert met een somber gezicht zijn laarzen. Hij kijkt niet op.
‘Ik vroeg je wat’, blaft Nelson.
‘Ik was klaar met mijn werk’, verdedig ik me.
‘Mijn ene hemd is gescheurd en het andere is nog vuil.’ Hij gooit ze mijn kant uit.
‘Ik doe het morgen wel.’
‘We varen morgen uit.’
Ik glip langs hem heen.
‘Is het nou echt zoveel gevraagd dat je ook eens iets nuttigs doet?’ Hij loopt achter me aan. ‘Iets waar iedereen beter van wordt?’
‘Je moet dringend aan een nieuw net beginnen, Acker’, zegt pa. ‘Het zou een ramp zijn als we nu zonder vallen. We moeten een voorraad voor de winter aanleggen.’

Ze hebben allebei een rothumeur. De spanning is te snijden. Ik hou me stilletjes bezig met Nelsons kapotte hemd, ik probeer in de muur te verdwijnen. Pa maakt nieuw vet voor zijn laarzen en Nelson hangt rond bij het raam. De kroeg van Morris roept, achter de ruitjes flakkert vrolijk licht. Nelsons handen gaan open en dicht, zijn vingers dolen over de vensterbank. Ze verlangen naar de gitaar.
Nelson speelt er simpele deuntjes op. Ze klinken droefgeestig, ze klinken naar alleen zijn en boven je cirkelen de albatrossen en verder is er niemand in de buurt, je maag plakt tegen je rug en je weet dat je nog maar een paar uur te leven hebt, en de zon gaat prachtig onder. Zoiets. Nelson zingt ook, zo zacht dat je vanzelf beter gaat luisteren. Hij improviseert over dode haaien en over de kleuren van de zee, hij gebruikt altijd dezelfde woorden in andere combinaties, en als hij lang genoeg speelt, belandt hij in een soort trance, en het gaat vanzelf lijken op een gebed, waar de vissers zwijgend naar luisteren, het diepe grommen van zijn stem en de zwaarmoedige akkoorden.

Telkens wanneer de deur van de kroeg opengaat, waaien stemmen en flarden gelach over het lege plein, en daarvan wordt Nelson nog rustelozer. Pa zet de pot vet met een klap op tafel.
‘Het is maar goed dat Susanna niet hoeft mee te maken dat jij daar elke avond zit te drinken, en naar Morris’ geklets luistert’, zegt hij bars. ‘Susanna vertrouwde Morris niet. Ze zei dat hij kromme zaken recht praat, en omgekeerd.’
‘Ik zit niet te drinken. Ik speel op de vihuela.’
‘Je moet me toch eens uitleggen hoe een gitaar van de ene dag op de andere zoveel duurder kan worden’, zegt pa.
Dus Morris heeft de verkoopsprijs voor de zoveelste keer aangepast.
‘Het is geen gitaar, het is een vihuela’, snauwt Nelson. ‘En Morris zegt dat er nog iemand in geïnteresseerd is. Hij bewaart hem alleen als ik bereid ben meer te betalen. Vaste prijzen bestaan niet, zegt Morris, het heeft allemaal te maken met vraag en aanbod. Ik moet die vihuela hebben. Ik heb al meer dan de helft bijeen gespaard.’
‘Morris wordt met het jaar inhaliger. Straks belandt hij nog bij Hendrik aan de galg.’
‘En toch koop ik hem.’
‘Zoek een andere gitaar. Misschien vind je wel iets in de stad dat betaalbaar is. Ik geef je een dag vrijaf. Maakt het zoveel uit?’
‘Het is geen gitaar’, briest Nelson.
‘Ik wil niet dat je mijn zuurverdiende geld daaraan besteedt’, zegt pa opeens vastbesloten.
‘Het is jouw geld niet’, zegt Nelson dreigend. ‘Ik heb het zelf verdiend.’
Ik buig me diep over Nelsons hemd.
‘Morris bedriegt je’, herhaalt pa.
Nelson ademt hoorbaar in.
‘Morris is de enige in dit dorp die iets van zakendoen afweet. Hij bereikt tenminste iets. Straks breidt hij zijn zaken uit, of hij doet een tweede winkel open in de stad. Dit dorp zit vol stommelingen. Jullie zullen nooit meer hebben dan een coble en juist genoeg eten om de dag mee door te komen. Morris is slimmer dan jullie allemaal samen.’
‘Wat je opsomt is meer dan genoeg’, zegt pa afgemeten. ‘De waarde van een man zit niet in de hoeveelheid geld die hij bewaart in zijn sokken, of in het aantal ringen in zijn oor.’
‘Zelfs een schaap kan wat jij doet, dat houdt ook zichzelf en zijn lammeren in leven’, roept Nelson.
‘Als je die gitaar koopt, zet ik je mijn huis uit’, schreeuwt pa.
Nelson brult dat hij uit zichzelf wel zal gaan. Onverzettelijk staan ze tegenover elkaar, met gebalde vuisten. Nelson is even groot als pa en ze wijken allebei geen duimbreed. Nelson wendt als eerste zijn blik af. Hij grijpt naar zijn oliejas. De schouders van pa zakken in zodra Nelson de deur dichtslaat, de glazen op het rek rinkelen vervaarlijk.

Nelson komt niet terug voor de volgende ochtend. Donker, somber, stil en gevaarlijk, erger uit zijn bek stinkend dan een zeeduivel, zijn gestalte vult het hele deurgat. Pa grijpt zwijgend naar zijn pet en volgt Nelson, ze gaan de deur uit, en ik kijk hen na, hun gekromde ruggen voegen zich bij de andere vissers, die in een vloeiende, gelijkmatige beweging door de smalle straten naar het keienstrand stromen. Zwijgend klimmen ze aan boord, en het laagwater neemt hen mee. Op de coble bewegen ze zonder nadenken, als één lichaam met één hoofd en één hart, en wat er de avond voordien is gebeurd of gezegd, verandert daar niets aan.